Grootgroener

Snuitkevers

Snuitkevers veroorzaken schade aan beplantingen.

Plaagherkenning
Volwassen kevers voeden zich ‘s nachts. Ze vreten golfvormige inkepingen aan de rand van bladeren en bloemen, waardoor een gekarteld effect ontstaat. Deze vraatschade is dikwijls het eerste teken dat wijst op de aanwezigheid van de snuitkever. De vraatzuchtige larven veroorzaken de grootste schade. Zodra ze uit het ei zijn gekomen, beginnen ze zich met kleine wortels te voeden. Naarmate ze groeien, tasten ze steeds grotere wortels, wortelknollen, wortelstokken en zelfs ontblote schors van houtachtige stengels aan. Een plant waarvan het wortelstelsel is beschadigd, verzwakt en wordt ook vatbaar voor allerlei ziektes, zoals schimmels. Bij een ernstige aantasting kunnen planten afsterven.


De meest voorkomende snuitkevers


Taxuskever (Otiorhynchus sulcatus)

De taxuskever is zwart van kleur en heeft een gegroefd, matzwart schild met gele vlekjes op de dekschilden. Deze kever is ongeveer 9 tot 11 mm lang en leidt een verborgen bestaan. Overdag schuilt hij, ‘s nachts vreet hij aan bladeren. Taxuskevers planten zich parthenogetisch voort. Dat wil zeggen dat ze geen paring nodig hebben om zich te vermenigvuldigen. De stadia van ontwikkeling zijn: ei, larve, pop, kever. Nadat de kevers zijn uitgekomen, meestal vanaf april, hebben ze een paar dagen nodig om ‘af te harden’.

Daarna beginnen ze zich te voeden met de bladeren van diverse gewassen, zoals taxus, hedera, prunus, virbunum, eonymus, fruitdragende gewassen en (indien aanwezig) ook allerlei niet-groenblijvende gewassen. In feite zijn de kevers polyfaag (alleseters), met een voorkeur voor bepaalde gewassen. In kassen en plaatsen waar de temperatuur niet lager is dan 15° C, kan de taxuskever overwinteren. Buiten kan men de volwassen kevers aantreffen vanaf april tot oktober. Onder bepaalde omstandigheden kan een taxuskever minstens 600 eitjes leggen in één seizoen.

Snuitkever (Otiorhynchus aurifer)

Deze snuitkever lijkt op de taxuskever en leidt eveneens een verborgen bestaan. De grootte varieert van 11 tot 16 mm. Deze snuitkever vreet eveneens aan allerlei gewassen. De kever is van origine uitheems en is waarschijnlijk met geïmporteerd plantmateriaal meegekomen. Hedera’s behoren tot hun favoriete voedsel.

Voor de bestrijding is het belangrijk om te weten met welke kever u te maken hebt. Zeker als het uitheemse soorten betreft, kan het tijdstip en de frequentie van de behandeling verschillen van bijvoorbeeld de behandeling tegen taxuskevers. U kunt snuitkevers altijd naar Biocontrole zenden voor determinatie en advies over de aanpak.

Bestrijding van de snuitkever
De larven van de taxuskever en andere snuitkevers zijn uitstekend te bestrijden met insectparasitaire nematoden: een zeer effectieve aanpak ‘aan de bron’. Insectparasitaire nematoden (ook wel aaltjes genoemd – niet te verwarren met schadelijk plantparasitaire aaltjes) zijn microscopisch kleine aaltjes die in symbiose leven met een bacterie. Eenmaal in de bodem uitgezet zoeken ze de larven op en dringen ze binnen. Eenmaal binnen scheiden de nematoden een bacterie af die de larven doodt. In de dode larve ontstaat een nieuwe generatie nematoden die op zoek gaan naar nieuwe larven om te infecteren. Insectparasitaire nematoden kunnen niet lang buiten een ‘gastheer’ overleven. Zijn er geen prooien meer, dan sterven ze. Insectparasitaire nematoden komen van origine voor in onze bodem en zijn daarom ook opgenomen in de Flora- en Faunawet als beschermde bodembewoners. De insectparasitaire nematoden zijn ongevaarlijk voor mens, dier, milieu en nuttige insecten.

Leverbaar voor te behandelen oppervlakken van 20 m², 50 m², 100 m², 500 m² en 1.000 m².

Wanneer bestrijden?
Het juiste moment voor de bestrijding hangt af van het soort snuitkever. In het najaar en in het voorjaar zijn de meeste larven actief. Over het algemeen kunnen ze dan ook het best worden bestreden met nematoden vanaf het vroege voorjaar tot begin juni en vanaf medio juli tot eind oktober/begin november.

In het vroege voorjaar en het late najaar adviseren wij de inzet van de nematoden Steinernema kraussei. Deze zogenoemde koudegrond-nematoden zijn werkzaam vanaf 5º C en overleven zelfs min 30º C.

Is de temperatuur al wat hoger (bodemtemperatuur vanaf 6 à 8º C) in het voorjaar, dan adviseren wij de inzet van de nematodenmix Steinernema spp/Heterorhabditis bacteriophora, werkzaam vanaf 6 à 8º C. In de mix is een nematode opgenomen die zich kan vermeerderen in andere bodemplagen. Hierdoor wordt snel een populatie aan nematoden opgebouwd. Deze mix is uitstekend te gebruiken bij fluctuerende voorjaarstemperaturen.

In de periode eind april tot begin oktober adviseren wij de inzet van nematoden Heterorhabdtis spp. Deze nematoden zijn werkzaam vanaf 10 à 13º C. Zowel Heterorhabditis bacteriophora als Heterorhabditis megidis is een uitstekende jager in de bodem. Deze nematoden hebben ‘tandjes’ en zijn in staat om door de huid van de larven heen te bijten. Heterorhabditis bacteriophora is werkzaam vanaf 10º C en Heterorhabditis megidis vanaf 13º C. Behalve in de periode april tot begin oktober zijn dezer nematoden ook het hele jaar door uiterst effectief in kassen waar de temperatuur niet lager wordt dan 10º C.